Kerstoverweging Johanna Priester

In doeken gewikkeld

Sommigen weten dat ik een zwak heb voor mooie prentenboeken. Laatst vond ik er weer een die mij in al zijn eenvoud ontroerde – tot mijn eigen verbazing en gêne. Wat was het dat me zo raakte?

Het was een kerstverhaal, verteld vanuit twee uilen die bovenin een dorpskerk wonen en onder zich de voorbereidingen voor het kerstfeest waarnemen. Er werd een kerststal gebouwd met figuren en dieren die bij nader inzien van hout gemaakt bleken te zijn. De kribbe bleef leeg, tot op kerstavond. Terwijl de mensen in de kerk zongen, daalden de uilen af naar de stal en landden op het dak naast de houten engel. Ze zagen nu een kind in de kribbe liggen. Als de mensen later weg zijn, fluistert de ene uil tegen de ander: “Het kind was wèl echt!”

Die ervaring van een werkelijk waargenomen Jezuskind wordt ook wel beschreven bij kinderen of verstandelijk gehandicapten die het Oberrufer Kerstspel hebben gezien. Echt, maar niet materieel aanwezig.

Er wordt door RS beschreven dat in de midwintertijd hemel en aarde het meest ‘zichzelf’ zijn, als twee gescheiden kwaliteiten. Waar in de zomer het materieel-fysieke als het ware door de aardkost heen breekt en omhoog streeft de kosmos in, zichtbaar in het plantendek, trekt het zich in de winter juist in zichzelf terug. In de zomer grijpen de planten als een soort vingers naar de kosmos, en in de winter zorgt het sneeuwdek voor een omhulling van de naar binnen getrokken aardekwaliteit. De wereld wordt dan de blauwe ronde druppel, eenzaam zwevend door de ruimte, zoals de astronauten dat vanuit hun ruimteschip hebben kunnen ervaren.

Lang geleden hielpen midwinterfeesten de mensen om hun fysieke lijf te gaan ervaren, bijvoorbeeld door vormen in ijs en sneeuw te laten ontstaan met hun lichaam. Zo ontdekten ze dat er grenzen zijn. Ze ervoeren daarbij, zo stel ik mij voor, ongeveer dat wat een pasgeboren baby ervaart als hij wordt ingebakerd: in doeken gewikkeld voelt hij waar zijn lichaam ophoudt, wat zijn huis zal zijn.

Daarentegen ontstond tijdens de oeroude midzomerfeesten, door zang en dansen, een eerste Ik-ervaring, een teer Ik dat vanuit de kosmische verten tot hen sprak, antwoord gevend op het gezang. Een Ik dat onderweg was maar nog lang niet helemaal in het lichaam aangekomen.

Inmiddels, eonen later, is de mens als geestelijk wezen diep in de aardse wereld afgedaald. Ons Ik zit helemaal ‘opgesloten’ in het fysieke lichaam; zo diep dat het niet meer vanzelf spreekt om nog te voelen dat we van oorsprong een geestelijk wezen zijn. We zijn ons lichaam in plaats van het te hebben en bewonen.

Diep hebben we ons met de materie verbonden, alle hoeken en gaten van de aardse wereld hebben we onderzocht – in het groot en in het heel klein -, uit elkaar gehaald, veroverd en omgevormd. Als een Rupsje Nooitgenoeg hebben we steeds meer materie tot ons genomen en hebben we ons omhuld met steeds meer strukturen en dingen. We zijn steeds in-gewikkelder geworden.

Nu legt RS een verband tussen de dynamiek van de winter, en die van een vrouw die zwanger gaat worden. Ik begrijp het zo, dat een nieuw mensenkind pas in kan dalen via het lichaam van de moeder, als in haar het hemelse en het aardse het meest zichzelf zijn. Net zo’n toestand als er in het groot in het midden van de winter bestaat.

Er moet als het ware een schone, aardse bedding zijn waar geen ‘vingers doorheen prikken’, waar ruimte wordt geboden voor een nieuwe geestelijke impuls. Een uitdrukking daarvan vind je – denk ik – in het feit dat het immuunsysteem van een zwangere op een laag pitje komt te staan, zodat het de foetus niet als ‘vreemd’ gaat afstoten. Het nieuwe en vreemde is welkom, er is ruimte gemaakt. Ruimte is een aards, fysiek begrip dat bestaat bij de gratie van grenzen. In de hemel bestaan geen grenzen.

Als dat nieuwe een ankerpunt in het aardse heeft kunnen vinden, blijft het nog lange tijd onzichtbaar. Het moet in de aarde (Moeder Aarde) rusten, er vertrouwd mee raken, een vorm maken die bij zijn wezen past, steeds harder en aardser. Pas als de tijd rijp is, kan aan het licht komen wat geboren wilde worden.

Zo wikkelt de rups zich steeds meer in, tot een schijnbaar levenloze cocon die weken, soms maanden roerloos blijft hangen. Wie had kunnen denken dat er een vlinder uit tevoorschijn zou komen?

Zo krijgt de lont laag over laag warme was om zich heen, telkens verstijvend, steeds dikker wordend, tot iemand de kaars aansteekt en het licht zich kan verspreiden.

Zo krijgt het zaadje na lang wachten in de donkere aarde eerst een worteltje dat nòg dieper de koude duisternis in reikt, tot de zon eindelijk sterk genoeg is om de blaadjes naar boven te roepen en het plantje zichtbaar wordt.

En zo werd er ‘midden in de winternacht’ ooit een bijzonder kind geboren dat maar door enkelen werd opgemerkt, al spoedig naar Egypte moest vluchten en in de loop der eeuwen steeds onzichtbaarder is geworden, tot de tijd rijp is…

Misschien zijn wij als mensheid nu in soort coconfase aangeland. We wikkelen ons steeds meer in, raken steeds meer opgesloten in de aardse wereld, onze wezenskern is steeds moeilijker te zien en dreigen we te vergeten. Het komt er meer en meer op aan om die innerlijke kern, die ooit (weer) zichtbaar wil worden, te versterken en te voeden, tegen alle verdrukking in.

Misschien worden de wikkeldraden nòg strakker, komen we nòg meer op onszelf te staan en duurt het nog lang voor onze cocon mag openbarsten. Dat proces is niet te versnellen, net zomin als we een plantje uit de aarde omhoog kunnen trekken.

Wat ons te doen staat is herinneren wat onze oorsprong is, dat zonnestralen ons geschapen hebben, dat we een lont van binnen hebben die ooit kan branden, dat we de geest niet vergeten en deze steeds weer welkom heten. Dáárom kan ik ontroerd zijn als in een prentenboek een uiltje zegt dat hij, dóór een houten beeldje heen, iets ziet dat Echt is.

Johanna Priester, 22-12-20

Scroll naar top